Een reiger daalt tussen de huizen. De binnenstad van Amsterdam, eeuwen van pannen en steen. De reiger die met zijn argusogen boven de stad vliegt, ziet diep beneden op het platte dak van kleine schuurtjes tussen de huizen tientallen dode kuikens liggen. Ze zijn daar speciaal voor de reiger neergelegd door een dierenvriend, een morsige man die achter het groezelige gordijn zit te wachten op de dalende vogel. Hij beschouwt de reiger als zijn enige vriend, maar hij wordt uitgescholden door zijn buurvrouw. Zij vreest de snavel van de grote vogel die haar kat nadert met de stille bewegingen van een Egyptische farao. Wie wonen hier allemaal bij elkaar op schoot, wie stookt hout in een ijzeren korf, wie maakt te harde muziek, wie slaat zijn huilende vrouw. Dit is de stad die machtige zeilschepen naar Indië stuurde om specerijen te halen en macht te tonen. En al dat volk woont er nog steeds, vermenigvuldigd met Japanners, Amerikanen en Duitsers. De morsige man komt heel weinig buiten, hij gebruikt zijn voordeur maar één keer per week, hij koopt wat voedsel voor zichzelf en kuikens voor de reiger. Vanaf zijn balkon aan de achterkant kan hij met een flinke stap op het platte dak van het Indische restaurant komen. Soms veegt hij het aan voor hij de kuikens neerlegt. Dan kijkt hij naar boven zoals overal ongerust naar vliegtuigen wordt gekeken. Maar hij kijkt met zachtaardige blik naar de reiger als teken van vrede. Ja, daar komt hij, teken van vrede.
titel: 15.02 reiger
stem: a.l. snijders
perspectief: ‘Tegenwoordig denk ik er zo over: vertrouw jezelf niet, vertrouw anderen. Als je een zin leest die je graag zelf had willen schrijven, schrijf hem dan op en laat in het midden wie hem geschreven heeft. Toen ik mijn eerste ZKV gemaakt had, wist ik niet wat de kenmerken waren, maar na het honderdste ZKV had ik er vier ontdekt: citaten, koude verbindingen, straatnamen, jaartallen. Als iemand me vraagt waarom ik geen roman schrijf, zeg ik: ik wil geen full time schrijver zijn. Als iemand me verwijt dat ik de zevende wet van Tsjechov negeer, zeg ik: het ZKV is te kort voor de zevende wet van Tsjechov, een wet moet proportioneel zijn. (Tussen haakjes, de zevende wet van Tsjechov luidt: als er een fiets in een verhaal voorkomt, moet er voor het eind iemand op vertrekken.) Er zijn tegenkrachten: copyright en privacy. Ze zijn sterk, ik sta er niet ontspannen tegenover. Daarom heb ik maar twee of drie ZKV‘s geschreven die geen tittel of jota van mezelf bevatten. Maar het blijft mijn ideaal.’
bron: doelloos kijken (2021), 198 zkv’s 2017-2018, afdh uitgevers
mopw: meerstemmige encyclopedie