Een stad, in de woorden van Hella S. Haasse, is een ‘opeenhoping van huizen en dingen waar men zich voortdurend bewust blijft van de onbereikbaarheid van die talloze schijnbaar nabije anderen’.

Het je bezighouden met elkaar wordt dan een ‘vermomde eenzaamheid’.

Ze zegt ook ‘onder analyserend verstand verpulvert alles tot stof’.

[bij het lezen van Anna Blaman]

Ik woon in een stuk stad, Amsterdam-Noord, dat eruitziet als een dorp: laagbouw, groen, tuindorp oostzaan. Het oogt dorpser dan het dorp met 1000 inwoners waar ik vandaan kom (er rijdt geen tram, een kudde schapen wordt op straat gelost en graast de dijk jaarlijks kaal, grijze vuilniszakken worden aan de straat gezet en meegenomen). Het stuk stad bevindt zich op zolder, daar is een dakraam, ik lees er een boek. Het kleine vlak kadert in de verte een flat van de Molenwijk die al jaren als een modernistische monoliet in het vlakke land torent. Ik ervaar lichte angst dat ie afbrokkelt als ik er langs loop op weg naar de supermarkt, er zaten jarenlang scheuren in de zijkant, die inmiddels geplamuurd zijn. Iemand kan makkelijk een plantenpot van het balkon stoten, of een zwarte plastic vogelverschrikker in de vorm van een vogel. De flat was recht, afgevlakt, geometrisch, had even grote ramen op evenredige afstand, een gevuld grid, zoals een flat hoort te zijn. Ondanks de jarenlange scheuren voelde de flat door de gele verf nooit echt als een oostblokflat. Er was voldoende lucht rondom, vaak blauw, een enkele wolk, verder niks. Een scherpschutter kon op die flat liggen, door het vizier van zijn geweer mijn dakraam zien, en mijn slaap en de zijkant van mijn bril raken. Sinds twee jaar is het een aangekoekte flat. Op de kopse kant zijn uitstulpingen gerealiseerd en woningen aangebouwd, met balkons die als een soort glazenwasserbakjes aan de zijkant hangen. Ik zou er niet durven staan. Eronder is geen galerij of een ander balkon dat je opvangt, door een volledig doorgevoerde assymetrie in het ontwerp. De mensen op de kopse kant hebben vrij uitzicht op mijn dakraam. Ik ken ze niet, ze blijven onbereikbaar, al ben ik me voortdurend bewust van hun nabije aanwezigheid, die ongeveer drie aangebouwde meters dichterbij is dan eerst.