Een sneeuwvlok heeft een vuiltje nodig (stof, roet, bacterie). Het vuiltje verijst, vormt een ijskristal, klontert tot een vlok, valt naar beneden. Eén vlok – alles zit in ’m, de omstandigheden kloppen – maakt nog geen sneeuw, geen winter. Zo stel ik me schrijven voor. Men neme een gedachte, die kristalliseert zich tot een zin (enige kilte en kou zijn onontbeerlijk), meerdere zinnen vormen een alinea.
Ik stond vorige week op de pont, met honderdtachtig man maakten we de overtocht op het IJ, op weg naar werk, school, Centraal Station, Schiphol. Kuchend, zwijgend opeengeklit, vlak voor we splitsten. Sneeuw had de metershoge letters AMSTERDAM (overkoepeling busstation, zichtbaar vanuit de ruimte) uitgewist, we arriveerden in een naamloze stad. Ik duwde mijn fiets naar voren tussen dikke gewatteerde jassen en felroze trollies. Het schijnt dat je hier ooit door een woud van scheepsmasten geen hand voor ogen zag. Eén vrouw zonder helm ging vanuit stilstand snoeihard onderuit, haar fiets gleed onder haar vandaan, ze brak haar val, ze brak haar pols. Ik moest denken aan Koos van Zomeren (‘denk je dat het de wind kan schelen door wie de aarde wordt bewoond?’) Het kon sneeuw en ijs niet schelen. Er was sprake van een uitzonderlijke stad: vriendelijk, rustig, vertraagd, gedempt. Ik keek om, iemand schoot te hulp.