Het web vermenigvuldigt zich, je krijgt altijd een kopie, offline kent die luxe niet. Drie eenden zwemmen in een slootje, twee gele pullen erachteraan. Ik stop mijn fiets en film het tafereel. Vijf minuten eerder draaide een zwarte kat zich op zijn rug om en om op het gloeiende dak van een auto, als vlees op een barbecue. Ik stopte en filmde het tafereel. De lente is prachtig, witte bloesem, katten op auto’s, pullen. De winter ook maar dan kom ik weinig buiten. De lucht is blauw en leeg en houdt niet op, verandert niet, wat verandert zijn de wolken en de wind en die zijn er vandaag niet, het contrast draagt bij aan het weldadige effect. Ik hoor een vogel fluiten. Eén pul blijft achter — snuffelt aan de slootkant als een hond. Zodra hij ontdekt dat het konvooi onverbiddelijk verder is getrokken zonder hem, slingert hij zijn binnenboordmotor aan en racet als een gele bontzachte bal naar het einde van de sliert. Het meest gruwelijke dat ik ooit zag was zo’n gelukte sprint. Toen de pul er was dook een snoek op, of ander watermonster, en trok hem naar beneden. De moeder was radeloos. Cirkelde rond het wervelstroompje dat haar pul had doen verdwijnen. Als ik twee minuten later was gearriveerd had ik gedacht ‘leuk, een waterhoentje dat voedsel zoekt, heerlijk ontwakende wereld’. In real life is van alles één, even — all is one. Ik interpreteerde dat altijd op één manier, nu dubbel, als zien zonder bril.