Ik lees graag dagboeken en essays. De werkelijkheid doet ertoe. De schrijver kroont zichzelf tot personage, denkt de dingen, maakt gebeurtenissen.

We gaan zo (2025) van Koos van Zomeren:

– we gaan die kant op (als zijn hond die voorop loopt zich omdraait bij een splitsing)

– wgaan zo: we gaan zo weg (tegen zijn vrouw Iris, als ze ergens zijn)

Kleine beslissingen in tijd en ruimte in afwachting van de grotere waarover je minder controle hebt. Hopelijk gaat je hond eerder dan jij, jij eerder dan je vrouw. 

Het complete Rekelboek handelt over het onvermijdelijke einde. Hij wacht, observeert. Wanneer begint het? Nu? Nu? Nu? En zo leeft Rekel in het boek nog (en al) lang en gelukkig tot (bijna) de laatste bladzijde. En is er in We gaan zo een nieuwe hond (Ernie), na een eerdere, die in de bergen verongelukte toen hij achter een gems aan ging (Stanley).

Koos van Zomeren windt zich over veel op. Hij windt zich op bij sport op televisie (emotionele uitputting als Nederlanders aan een internationaal evenement meedoen). Zinnen agiteren hem. Kranten die hem niet recenseren. Kwestie Israël-Palestina.

Hij heeft mooie gedachten, zoals deze: ‘Ik lees het liefst in de luwte, boeken die geen stof doen opwaaien of waarvan het opgewaaide stof allang is gaan liggen.’

Niet achter de actualiteit hollen, of ernaast. Rustig slenteren. Een boek jaren later in de boekenkast tegenkomen, beginnen. Strepen zetten, uitroeptekens.

We gaan zo heb ik in de actualiteit gelezen, 29,99 euro betaald, een uur lesgeven, een halve tank benzine, 75 biologische eieren, omdat ik niet wilde wachten, niet op geluk of toeval.