De overleden vader van Noriko Morishita plantte ooit een witte magnolia. Wie opkeek naar de kale winterknoppen zag dat ze bedekt waren met ‘zilverkleurig dons in de vorm van kleine zeehondjes’. Op die plek treft Noriko Morishita een nest kittens en hun moeder. Tekst op de binnenflap: ‘Vanaf de ochtend dat ze ter wereld waren gekomen, hadden ze elk een verschillend karakter en verschillend gedrag aan de dag gelegd. Ze werden al volledig ontwikkeld geboren en ze leefden gewoon als zichzelf.’ Die zin verklaart mogelijk waarom het zo aangenaam is naar dieren te kijken: ze zijn meteen wie ze zijn, verschillend als ze zijn, en het lukt ze gewoon als zichzelf te leven – al is dat waarschijnlijk een oppervlakkige observatie. Katten zijn wezens die bij mensen willen zijn, schrijft Noriko Morishita, maar eigenlijk is zij het die bij de katten wilde zijn. Mimi en Tarō blijven, ze adopteert ze, ze stroomt over van genegenheid. ‘Het voelde alsof er bloemen bloeiden in ons huis.’ Het boek is poezelig. Het boek is een webcam, een aquarium, het water blijft keurig in de bak, er gebeurt hoegenaamd niets, geen dood, geen verderf. Ooit zal de dag van afscheid komen. ‘Het leven van katten gaat snel en haalt het onze in.’ Die dag arriveert niet in het boek. Laatste zin: geluk ligt niet ergens anders maar is nu hier.
[boek gelezen voor De Club van Echte Lezers, Atlas Contact]