Ik scheur pagina’s uit boeken om ze te comprimeren, herhaal wat ik ooit uit noodzaak deed — zuurstof uit het gemaakte zuigen — alsof ik me die spaarzaamheid (begintijd van het web, minuscule datastroompjes) wil inprenten. Ik scheur delen uit boeken die me niet boeien, neem geen voorschot op een toekomst vol spijt. De ruggen met kaften hangen als een te ruim kledingstuk om de bladzijden. Ik maak nieuwe boekbanden. De tape is van mooi stug stevig stof. Ik wrijf erover. Eens zat hier de titel, nu zijn de ruggen zwart, grijs, wit. Iemand zei ooit over het afbranden van de bibliotheek van Alexandrië dat hij eigenhandig de boeken terug zou schrijven, een impuls die ik herken, en waarbij ik denk, mooie gelegenheid om dat selectief te doen. Ik scheur in De Tweede Grote Vier-omnibus alles weg behalve De stad van Frans Masereel: Brusse, Heijermans, Walschap. Ik houd een prachtig dun boekwerk over met machtige zwarte houtgravuren in een stevige rode kaft, als een plankje. Het ruikt 60 jaar oud, muf, mottig, de inhoud oogt kakelvers. Die stadt / la ville (1925). Ik kijk naar de kakofonie van een stad, een eeuw geleden. Ik wil over Amsterdam schrijven, als ik het woordloze Die stadt zie wil ik zwijgen. Zweig: ‘wanneer alles ten gronde zou gaan; alle boeken, monumenten, foto’s en verslagen en er bleven slechts de houtsneden die Masereel gedurende tien jaar geschapen heeft gespaard, dan zou men alleen daaruit onze hele hedendaagse wereld kunnen reconstrueren.’