‘En zonder ook naar mij te kijken zocht ze met een blindelings gebaar mijn hand en zei: Doe mij maar na, het is heerlijk, niets doen, niets denken, alleen maar bestaan… En terwijl ze mijn hand bleef vasthouden: Er is dan ook niets meer dat me kan raken en niets meer dat er van mij uit kan gaan… behalve dat: wees steen met de stenen, een stofje in het heelal. Maar al klonk dat als een gebod, als een verlossende toverspreuk vanuit het geheim van de natuur rondom, het had geen vat op me. Ik bleef wie en wat ik was, ik bleef doodeenzaam mezelf en keek verloren over het strand en de zee.’ — Anna Blaman, De zwemmer in de bundel Overdag

[bij het lezen van Hella S. Haasse, Achter de letters]