Een speldeknopje trekt twee witte strepen, kruipt met een slakkegang langs de babyblauwe hemel. De strepen vallen na vijf seconden uiteen in zachte grove vlokken – een kort vetkrijtlijntje, dat even later oplost. De traagheid en het donzig uitpoetsen en de geluidloosheid voelen weldadig en onbegrijpelijk, straalvliegtuigen vliegen gemiddeld 850 kilometer per uur, trekken met luid kabaal over, er zitten 300 mensen in, en alles wat mijn oog ziet en mijn geest waarneemt is een tijdelijk, rustgevend tafereel in slowmotion, dat zich herhaalt (vakantievluchten in mei). Ik ben niet in Amsterdam, ik ben in Deurne, waar Jan Hanlo in zijn jeugd vijftien jaar woonde, ik lig op een bank, lees zijn brieven, kijk naar het schouwspel dat zich boven de rand van het boek voltrekt: brief na brief, vliegtuig na vliegtuig.
Jan Hanlo denkt na over toeval. Hij wisselt gedurende enkele jaren 33 brieven uit met ene W.A. uit Amsterdam. Wat is toeval? Is elf keer na elkaar zes gooien toeval? 1.000.000 keer? Na de eerste worp is de kans op een zes (na een eerste zes) gevoelsmatig anders dan bij de elfde worp (na tien keer zes), laat staan ne een miljoen keer zes. Dat is geen toeval meer maar iets anders (anders zouden we waarschijnlijk ook niet denken ‘dat is geen toeval meer’). Het praktisch mogelijke verschilt van het theoretisch mogelijke. Hij bedenkt steeds voorbeelden. Het kan geen toeval zijn dat wolken zich vormen tot een schaakbord met kaarsrechte lijnen (theoretisch mogelijk). Zo’n schaakbord is geen toeval dat het gezond verstand accepteert. Er is verschil tussen een statistische kans en een kans in de werkelijkheid. Een stad die leeg is, niemand op straat, persoon A is ziek, B heeft geen zin, C heeft zijn been gebroken. Theoretisch kan het – zo’n doodstille stad, niemand op straat – maar in de praktijk loop je ertegenaan dat die situatie niet kan bestaan of juist haast wel als vanzelf het tegendeel oproept: mensen die gaan kijken wat er aan de hand is en zich op straat begeven. Ander voorbeeld. Jan Hanlo wrijft met een potlood over munten met papier ertussen. Theoretisch bestaat de mogelijkheid dat de munten met reliëf en letters die hij niet kan ontcijferen (‘is het wel een munt?’ en ‘zijn het wel letters?’) geen munten zijn, maar toevallige configuraties, door elementen en zeer fijn gruis ontstane imprinten op metaal. Toeval dus, terwijl elk weldenkend mens munten ziet.
Die briefwisseling is geestig, ik merk dat ik in afwachting van nog een brief met nog een voorbeeld langzaam (ik kijk uit naar een volgende brief zoals je kan uitkijken naar een brief) gestaag in Hanlos denkrichting beweeg, er is een verschil tussen toeval in theorie en praktijk. Hanlo geeft niet op, nadert het probleem als een asymptoot. Jan Hanlo haalt alles uit de kast. Zijn verbeelding houdt niet op.
Hanlo verbaast zich in de brieven over vanalles, bijvoorbeeld namen die anders klinken dan zoals je ze schrijft: Deurne wordt Deurze.
Hij maakt veel motorritjes.
Maart is veel te snel voorbij.
Plot interesseert me minder dan wat iemand van het leven maakt, hoe hij denkt, wat hij doet, hoe hij zich staande houdt.