Ik sta op de pont. Ik kijk in de zon. Meeuwen cirkelen om de klep van het voordek, dat zometeen verandert in het achterdek. De kapitein in de stuurhut draait zijn stoel, de pont hoeft hij niet te keren. Ik zwaai wanneer ik de laatste meters race en hij besluit dat ik nog mee mag. Mijn ziel licht op als een blauwzilveren meteoriet wanneer ik in het verkeer zo’n gebaar van goede wil tegenkom. Ik elleboog me naar voren, wat zelden kan, het is meestal druk. Op het voordek sta je minder in de dieselwalm. Als ik beter kijk zie ik dat één meeuw een drone is. Zijn vluchtpatroon wijkt nauwelijks af, hij zweeft als een meeuw, maar de wiekslag ontbreekt. De eerste seconde denk ik aan oorlog, de nieuwe wapens, het kijken op afstand, targetten, terrorisme, mezelf, angst, daarna aan een scene in Giovanna Giordano’s Een magische vlucht, een boek dat ik twee dagen geleden aantrof in een boekenkastje en me na één bladzijde deed denken aan Antoine de Saint-Exupéry (het dronkenmakende vliegen), aan Eduardo Galeano (de kleine fantastische fabels, verhalen en vignetten) en Il Postino (de Italiaan die brieven rondbrengt). Als ik op wikipedia lees waar Il Postino over gaat lijkt het boek in niets op Il Postino, behalve dat beide hoofdpersonen Italiaan zijn en brieven bezorgen. Ook lijkt Gianna Giordano niet op Eduardo Galeano noch op Antoine de Saint-Exupéry. In Een magische vlucht vliegt de jonge piloot Giulio Giamò in 1935 boven Eritrea en Abessinië, het huidige Ethiopië, waar Italiaanse soldaten oorlog voeren op bevel van duce Benito Mussolini. Vanuit de lucht ziet hij de verschrikkingen van de oorlog, de soldaten die als rupsen marcheren. Hij ziet ook de schoonheid van een continent. Hij ontmoet een veelheid aan mensen en dieren en praat met ze. Op een gekke manier lijkt het of hij de oorlog niet meemaakt hoewel hij er middenin zit. Hij ontmoet Tsahai, een mooie jonge vrouw, met een huid gladder dan de maan, die vergezeld wordt door twee libelles, die ze draagt als een soort bewegende glinsterende prachtige levende trillende oorbellen. De libelles zijn behalve sieraden gevoelsmeters, ze tonen hoe Tsahai zich voelt, als ze slaapt klappen ze bijvoorbeeld sereen de vleugels in, als handen in gebed. Helaas komt het onvermijdelijke moment dat Tsahai sterft, ze wordt tijdens het zwemmen in een moeras geraakt door een bomscherf, de twee libellen vliegen verloren rond, één libel zakt met haar in het water, maar eentje vliegt omhoog, ‘misschien uit betovering’ en volgt een vliegtuig waarvan hij dacht dat het een metgezel was. Zo besluit ik in tweede instantie naar de drone te kijken, als iemands libel, die wegvliegt en denkt dat hij zijn metgezellen treft, een troepje meeuwen zwenkend boven het IJ, vlakbij Centraal Station Amsterdam.